Ondernemen is als het beklimmen van een berg |
| Geschreven door Marjolein Theunissen |
|
Je hebt vast wel eens onder aan een berg gestaan en gedacht: ik wil naar de top. Toen ik laatst op vakantie was bevond ik mij weer eens in die situatie en terwijl ik aan het klimmen was dacht ik: dit lijkt verdomd veel op ondernemen. Lees even met me mee. Je staat dus onder aan de berg en ziet de top: ver weg, maar haalbaar, want je staat daar vol goede moed en je moet en zal bewijzen dat je die top kan bereiken. In het begin is het nog eenvoudig; de weg is nog niet zo steil en overal staan bordjes. Dit is de route die vele mensen bewandelen en op de bankjes waar je even kan uitrusten staan kreten van ondernemers die je voor zijn gegaan. “Dit had ik jaren eerder moeten doen.” “Ik merk nu pas hoe slecht ik voor een baas kan werken”. Hoe hoger je komt, hoe minder bewegwijzering er staat. Steeds meer ondernemers hielden het op deze hoogte voor gezien. Ze hadden geen uithoudingsvermogen en geen appeltje voor de dorst, dus keerden ze terug naar huis. Er staat nog een enkele leus op een bankje. “Het is toch zwaarder dan ik had gedacht.” “Vrijheid mijn neus! Ik werkte twee keer zoveel als voor een baas”. De echte ondernemer, jij dus, zet door en navigeert op de zon en beetje geluk in de goede richting. Op den duur is het pad helemaal weg. Er zijn ook geen bankjes meer. Alleen ben je echter niet. Af en toe kruist een andere ondernemer je pad, op weg naar een andere top. “Ik zou linksom gaan,” zegt ze. “Deze route leidt nergens heen.” Braaf luister je. Of juist niet. Om vervolgens met een nors gezicht weer op dezelfde plek terug te keren als blijkt dat het pad inderdaad doodliep. De tocht wordt steeds zwaarder, de bosgrond heeft plaatsgemaakt voor pure rotsblokken. Geen bomen meer die je beschermen tegen regen of zonneschijn. Je krijgt beide vol in je gezicht. Stug ploeter je door. Af en toe ga je zitten om te genieten van het uitzicht. Met gepaste trots verzucht je: “Ik ben al best ver, dat heb ik maar mooi voor elkaar gekregen.” Als je met kloppend hart van vreugde je weg vervolgt, verzwik je ineens je enkel. “Boontje komt om z’n loontje,” mopper je, terwijl je over het opzwellende gewricht wrijft. Plotseling staat er iemand naast je en biedt je zijn hulp aan. Hij koelt de enkel met wat water en zegt: “Rustig aan doen. Niet overbelasten. Daar heeft niemand wat aan.” Je weet dat hij gelijk heeft en besluit te luisteren. Op dat moment breekt de zon door en verwarmen de stralen je gezicht. Na een tijdje kun je weer verder. Je besluit samen op te trekken met de persoon die je geholpen heeft. Samen bereik je de top en geniet je van het uitzicht. Als blijkt dat er bovenop die bergtop een grote appelboom met sappige appels staat, kan je dag niet meer stuk. Voorlopig hoeft er even niet geklommen te worden… Tweet |














































